Vaccinaties

Een goede bescherming tegen infecties van de luchtwegen (denk aan hoesten, neusuitvloeiing en koorts) wordt alleen verkregen met een gedegen vaccinatieschema.
Het nauwkeurig volgen van het schema is daarbij erg belangrijk.

Entschema


Volwassen paarden dienen jaarlijks gevaccineerd te worden tegen influenza en tetanus.
In omstandigheden waarbij de kans op infectie verhoogd is, bijvoorbeeld als uw paard veel in contact komt met andere paarden, zoals op een manege of bij concoursen, is het verstandig om uw paard twee keer per jaar te vaccineren.

Drachtige merrie
Optimaal is om bij een drachtige merrie in de negende maand van de dracht de vaccinatie tegen influenza en tetanus te herhalen.
Tegen de tijd dat het veulen geboren wordt , worden er dan voldoende antistoffen tegen deze ziekten in de biest aan het veulen doorgegeven.

Van de ziekte Rhinopneumonie (een soort verkoudheid) is bekend dat ze abortus bij de drachtige merrie kan veroorzaken.
In omstandigheden van verhoogde kans op deze ziekte moet een drachtige merrie ook hiertegen gevaccineerd worden.
Dit moet dan in de vijfde, zevende en negende maand van de dracht gebeuren.

Vraag ernaar bij uw dierenarts Den Bommel.

Veulen


Een veulen dient zijn eerste vaccinatie op de leeftijd van zes maanden te krijgen. Dit geldt echter alleen als de merrie (zie boven) goed gevaccineerd is. Het veulen heeft dan de eerste maanden voldoende antistoffen via de melk gekregen.
Is de merrie niet voldoende gevaccineerd, dan dient het veulen al op jongere leeftijd zijn eerste vaccinatie te krijgen. Overleg dit met uw dierenarts.
Het veulen dient vier tot zes weken later zijn tweede vaccinatie te krijgen. De derde vaccinatie dient het veulen zes maanden na de tweede te krijgen. Vervolgens dient de vaccinatie jaarlijks herhaald te worden.

West-Nile


Wij adviseren om uw paarden te enten tegen het West-Nile virus.
Veulens vanaf zes maanden en paarden die nooit eerder gevaccineerd zijn tegen West-Nile worden twee keer geent met drie tot vijf weken ertussen.
Vervolgens dient de vaccinatie jaarlijks herhaald te worden.

Vaccinatie tegen huidschimmel
De vaccinatie tegen huidschimmel is de nieuwe therapie met de hoogste genezingskans bij het paard.
Het verkort het genezingsproces in vergelijking met vroegere methoden met meerder weken en zorgt daardoor voor minder ongemak.
Daarnaast geeft de vaccinatie een bescherming tegen huidschimmel in de toekomst voor tenminste negen maanden.
De vaccinatie kan preventief gegeven worden aan een gezond paard indien bijvoorbeeld bij paarden in de buurt schimmel gediagnostiseerd is.
De vaccinatie kan echter ook aan een paard dat al last van de schimmel heeft, gegeven worden.De aandoening zal dan versneld verdwijnen en na een tweede vaccinatie is het paard verder tegen de schimmel beschermd.
Het is mogelijk om uw paard jaarlijks preventief met deze vaccinatie te enten en zo huidschimmel te voorkomen.

 

Mestonderzoek bij paarden

Vroeger werden alle paarden volgens hetzelfde schema ontwormt. Tegenwoordig willen wij alleen paarden die besmet zijn met wormen ontwormen.
Om het gebruik van ontwormmiddelen te verlagen en hierdoor de ontwikkeling van resistentie te verminderen.
Als een paard in een stal ziek is en antibiotica krijgt, worden ook niet alle andere dieren in de stal die niet ziek zijn met antibiotica behandeld.

Zo werkt het ook met ontwormen, 80% van de wormen zit in 20% van de paarden. Dit betekend dat ongeveer 80% van de paarden onnodig ontwormt wordt.
Mestonderzoek wordt gedaan om ervoor te zorgen dat de weidebesmetting met wormeieren laag blijft. In de mest wordt gekeken naar welke en hoeveel eieren worden uitgescheiden.
Mestonderzoek is het belangrijkste in het voorjaar en de zomer. In het najaar en de winter kan mestonderzoek zelfs een vals negatieve uitslag geven, omdat sommige wormen dan in winterslaap zijn en geen eieren uitscheiden.

Uitvoering van het mestonderzoek:
Het is belangrijk om verse mest te gebruiken, de mest mag niet in contact zijn geweest met de bodem.

Een mestbal van bovenop de hoop is prima.
Deze mest van elk paard apart verpakken in een zakje met daarop de naam en leeftijd van het paard, dit zakje hoeft u niet dicht te knopen.
Mestonderzoek pas doen tien weken na toedienen ivermectine (Eraquell/Equimax), veertien weken na toedienen moxidectine (Equest).

Wanneer een mestonderzoek:


Ons advies is om van paarden ouder dan drie jaar, twee tot drie keer per jaar mestonderzoek te doen (maart, juni, sept) en een keer per jaar  in het najaar (oktober/november) standaard te ontwormen met een middel dat ook tegen lintworm werkt een mest onderzoek kost 10 euro bij dierenarts Den Bommel.


- ontwormen doe je om de weidebesmetting laag te houden
- ontwormen doe je het liefst zo min mogelijk om de resistentie laag te houden
- ontwormen met een mestonderzoek, behalve bij jonge dieren omdat die grotere kans hebben op problemen
- zorg dat je voor het juiste gewicht doseert, liever 50 kg te veel dan te weinig (behalve bij veulens)
- zorg dat alles binnen blijft, een klein beetje morsen is al snel 200 kg te weinig doseren

 

Besmettingsdruk:


- twee keer per week verwijderen van alle mest van de wei is de kans op een probleem met wormen zeer klein
- door het maaien van de wei of het laten grazen van schapen achter de paarden aan krijg je weer veilig weiland
- mocht een aantal keer omweiden mogelijk zijn zorg dan dat er mestonderzoek gedaan is en eventueel ontwormt voor het omweiden, zodat er zo min mogelijk eieren op de schone wei komen


Drachtige merrie:


De merrie één tot twee weken voor het veulen en ontwormen met Ivermectine (Eraquell).
Dit is niet bedoeld voor de merrie zelf, maar voor het pas geboren veulen! Op deze manier worden de wormlarven in het uier van de merrie gedood en kan het veulen niet via de melk worden besmet.
Zorg daarnaast dat de gehele stal uitgemest en goed schoongemaakt wordt voor de geboorte.

 

Veulen:

Via uw dierenarts Den Bommel kunt u een ontwormschema opvragen speciaal voor veulens.
Het is erg belangrijk dat veulens ook voor spoelwormen behandeld worden met pyrantel (Strongid-P) omdat er resistentie is van de spoelwormen tegen de gangbare wormmiddelen.

Bloedonderzoek al vanaf 40 euro

Wat is bloed?


Het hart en het bloedvatenstelsel transporteren belangrijke stoffen door het lichaam. Zoals zuurstof, kooldioxide, voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen en warmte. Het bloedvatenstelsel zorgt ervoor dat bloed alle delen van het lichaam bereikt. Het lichaam wordt op deze wijze voorzien van zuurstof en voedingsstoffen en afvalstoffen kunnen het lichaam weer verlaten.

Het hart ligt op de bodem van de borstholte, net achter het linkervoorbeen. Het hart weegt ongeveer 4 kg en bestaat uit 4 compartimenten: 2 boezems en 2 kamers. Bij elke hartslag wordt er bloed door het hart gepompt. Het hart zorgt er ook voor dat er zuurstofarm bloed in de longen wordt omgezet in zuurstofrijk bloed. Een paard heeft in totaal 40 liter bloed. Organen als beenmerg, lever, milt en nieren worden niet alleen "gevoed" door het bloed, zij zorgen er ook voor dat de samenstelling van het bloed zo constant mogelijk gehouden wordt . Daarmee wordt direct een beperking van het bloedonderzoek aangegeven. Het lichaam probeert lang om bepaalde waarden binnen de zogenaamde normaalwaarden te houden, ondanks het feit dat het lichaam hier wel degelijk een tekort of een overschot aan heeft. Als voor dergelijke stoffen een duidelijk tekort vermoed wordt, dat niet via het bloedonderzoek ‘zichtbaar’ is kan urineonderzoek of onderzoek van een orgaan soms uitkomst bieden.


Waardevolle gegevens


Naast een algemeen bloedonderzoek zijn zeer specifieke onderzoeken mogelijk om bepaalde vragen op te lossen. Voorbeelden hiervan zijn hormoonbepalingen, onderzoek op sporenelementen en vitaminen, en antistoffenonderzoek bij infecties. Hieronder volgt een toelichting op de meest gebruikte, en meest informatieve, bloedwaarden van het algemene bloedonderzoek.

Het rode bloedbeeld


Bij bepaling van het rode bloedbeeld gaat het over de rode bloedcellen (erytrocyten) die onder andere zorgen voor de aanvoer van zuurstof (bouwstof) en de afvoer van kooldioxide (afvalstof) in het lichaam. De waarde ervan in het bloed kan worden weergegeven door de Ht (hematocriet).
Een verlaagde Ht wijst op bloedarmoede (= anemie). Dit kan veroorzaakt worden door een te groot verlies (b.v. een ernstige bloeding of een worminfectie), teveel bloedafbraak of onvoldoende aanmaak van rode bloedlichaampjes in het beenmerg. Het gevolg van een te lage hematocriet is vaak een verminderd uithoudingsvermogen. Een verhoogde Ht kan wijzen op uitdroging (door b.v. diarree of enorm zweten). Maar ook als een dier opgewonden is of hard gewerkt heeft kan de Ht verhoogd zijn doordat de reservevoorraad rode bloedlichaampjes in de milt wordt aangesproken.



Het witte bloedbeeld


Bij bepaling van het witte bloedbeeld gaat het over witte bloedcellen (leukocyten) waarbij o.a. gekeken wordt naar het totaal aantal witte bloedcellen. Verhoging van het totaal aantal witte bloedcellen (= leucocytose) kan bijvoorbeeld bij een chronische ontsteking of bij bijvoorbeeld lymfeklierkanker (= leucose) optreden. Verlaging van het totaal aantal witte bloedcellen (= leucopenie) kan bij een heftige acute ontsteking optreden.
Grote schommelingen in het witte bloedbeeld worden meestal veroorzaakt door een infectie. Om exact te weten welke infectie een paard doormaakt is echter aanvullend bloedonderzoek op antistoffen nodig. Aan de hand van het witte bloedbeeld kun je dus wel zeggen dat het dier een infectie doormaakt, maar niet welke infectie.



Nier- en leverfunctie


De nieren en lever zijn een goed voorbeeld van organen die zorgen voor het stabiel houden van de bloedsamenstelling. De lever zorgt ervoor dat een teveel aan lichaamseiwit wordt afgebroken en omgezet in onder andere ureum. Dit ureum wordt vervolgens door de nieren uitgescheiden met de urine. Is er twijfel over het functioneren van de nieren van een dier dan kan een ureumbepaling in het bloed uitkomst bieden. Een toename van ureum in het bloed (uremie) kan veroorzaakt worden door een onvoldoende uitfiltering van ureum uit het bloed zoals bij een probleem in de nieren (veroudering, verbindweefseling van de nieren) of een probleem in de afvoerende urinewegen (niersteen of tumor) dan wel door een te groot aanbod bij verhoogde eiwitafbraak. Bij het vermoeden van een leverprobleem wordt meestal gekeken naar een groepje enzymen dat onder andere veel in de levercellen voorkomen en die dus bij een leverbeschadiging vrij kunnen komen in het bloed. Pas als de enzymwaarden flink verhoogd zijn wordt hier, net als bij de spierenzymwaarden, betekenis aan gehecht. (Dit in tegenstelling tot waarden, zoals bijvoorbeeld het bloedsuikergehalte, die het lichaam constant probeert te houden.) Ook een verhoogde waarde van de galkleurstof bilirubine kan wijzen op een leverprobleem.

Spierfunctie


Ook bij het vermoeden van spierproblemen wordt gekeken naar de bloedwaarde van specifieke enzymen. Deze enzymen komen voor in de spiercellen en zijn verhoogd bij bijvoorbeeld (ernstige) spierbevangenheid. Omdat deze enzymen gedeeltelijk hetzelfde zijn als die in de lever worden aangetroffen is de combinatie van het soort enzymen dat verhoogd is en natuurlijk de verschijnselen die het paard vertoont (spierstijfheid, zweten, koliek) belangrijk om de diagnose spierbevangenheid te stellen.

Eiwitgehalte en eiwitfractie


Bij het bepalen van het eiwitgehalte of de eiwitfractie in het bloed wordt gelet op het totaal eiwitgehalte van het bloed en de verdeling ervan in eiwitfracties (albumine, α-, β-, en γ- eiwit).
Het totaal eiwitgehalte kan verlaagd zijn door eiwitverlies (via de darm bij bv. diarree of via de nier bij een nierziekte), te lage opname van eiwitten met bijvoorbeeld het voer of problemen met de eiwitaanmaak in de lever. Het totaal eiwitgehalte kan verhoogd zijn bij bijvoorbeeld uitdroging (dit is slechts een relatieve verhoging doordat er vocht is verloren) of doordat bij een ontsteking veel ontstekingseiwitten worden aangemaakt.
Bij beoordeling van de verdeling van het totaal eiwitgehalte in de verschillende fracties kunnen we denken aan de volgende afwijkingen: albumine, de bloedwaarde hiervan is verlaagd bij die nierafwijkingen waarbij albumine verloren gaat in de urine. α- eiwit, de bloedwaarde hiervan is verhoogd bij een ernstige acute ontsteking. β- eiwit, de bloedwaarde hiervan is verhoogd als het paard langdurig een worminfectie heeft. γ- eiwit, deze waarde is verhoogd bij een pussige ontsteking zoals bijv. droes. Met name afwijkingen in de laatste twee waarden komen vaak voor.

Mineralen
Bij de samenstelling van het rantsoen van paarden wordt nauwelijks rekening gehouden met de mineralensamenstelling van het ruwvoer en het krachtvoer. Tussen verschillende soorten ruwvoer en krachtvoer kunnen de gehalten aan mineralen, sporenelementen en vitaminen zeer sterk variëren. Gevreesde tekorten worden vaak door toevoeging van voedingssupplementen gecorrigeerd. Hierdoor wordt de totale variatie in het rantsoen nog groter. Uit onderzoek van bloedmonster in de periode 2000-2005 bleek dat de magnesium en vitamine E voorziening bij veel paarden marginaal is. Daarentegen bleek de voorziening in calcium, koper en selenium vaak hoger dan gewenst. Voor een goede botkwaliteit en een goede spier- en zenuwwerking is naast voldoende verstrekking van deze mineralen ook de juiste verhouding calcium, fosfor en magnesium erg belangrijk. Daarnaast is vitamine E belangrijk voor een goede spierwerking. Voor selenium geldt dat teveel net zo schadelijk is als te weinig. Te veel selenium kan de oorzaak zijn van een slechte hoefkwaliteit, net als een tekort aan zink.

Onderzoek op mineralen kan door analyse van een bloedmonster. In het bloed kunnen gehaltes van de mineralen calcium, magnesium en fosfor en de sporenelementen koper, zink en selenium worden bepaald. Ook het gehalte aan vitamine E kan in het bloed worden bepaald.

Met name bij sportpaarden en senioren paarden is het verstandig minimaal 1 x per jaar een bloedonderzoek te laten doen.

Toegevoegde waarde


Via het bloedonderzoek zijn dus een groot aantal waardes 'zichtbaar' te maken. Omdat de resultaten van onderzoek in getallen wordt weergegeven suggereert dit een grote nauwkeurigheid. De uitslag van een bloedonderzoek kan echter beïnvloed worden door zaken als ras, geslacht, leeftijd, omstandigheden waaronder het bloedmonster wordt afgenomen en het laboratorium waar het bloedmonster verwerkt wordt. Ook kunnen de 'normaalwaarden' die door de laboratoria gehanteerd worden nog wel eens van elkaar verschillen. Een normaalwaarde wil echter niets anders zeggen dan dat 95% van de dieren binnen de gestelde grenzen valt, maar het is dus mogelijk dat de bloedwaarde van een gezond paard erbuiten valt. Een ziek paard daarentegen kan een bloedwaarde hebben die (toevallig) binnen de gestelde grenzen valt. Mede daardoor zijn voor de interpretatie van een bloedonderzoek moeilijk algemene regels te geven. Het totale beeld van de toestand van het paard zal uiteindelijk bepalend zijn.

Een bloedonderzoek kan 'op maat' worden samengesteld, wanneer u in bepaalde waardes geïnteresseerd bent! Neem hiervoor contact op met Dierenarts Den Bommel:

Teken

Teken kunnen een grote verscheidenheid aan ziekteverwekkers overdragen. Er zijn wereldwijd circa 900 verschillende soorten teken beschreven. De meest voorkomende teek in Nederland is Ixodes ricinus. De laatste jaren worden echter ook steeds meer andere tekensoorten in Nederland aangetroffen.

Het grootschalige ‘Tickbusters’ onderzoek uitgevoerd door het Utrecht Centrum voor Tekengebonden Ziekten (UCTD) heeft vanaf 2005 de Nederlandse tekenpopulatie op gezelschapsdieren in kaart kunnen brengen.

Het onderzoek bevestigt dat I. ricinus de meest voorkomende teek is, gevolgd door Dermacentor reticulatus, een tekensoort waarvan werd aangenomen dat deze niet in Nederland voorkwam. Daarnaast worden regelmatig exotische tekensoorten in ons land geïntroduceerd via reptielen, huisdieren en migrerende vogels.

Teken kunnen vele verschillende ziekteverwekkers overdragen. Enkele belangrijke zijn: Borrelia burgdorferi, Babesia canis, Ehrlichia canis en Anaplasma phagocytophilum.

Borrelia burgdorferi en Anaplasma phagocytophilum infecties zijn al vastgesteld bij het paard in Nederland. De vestiging van Dermacentor reticularis teek in Nederland, die bij paarden Babesia caballi en Theileria equi overdraagt, zou ervoor kunnen zorgen dat ook deze ziekteverwekkers in de nabije toekomst bij paarden in Nederland problemen veroorzaken.

Omdat er een veel breder spectrum aan teken en ziekteverwekkers voorkomt in Nederland, is het ‘Tickbusters’ onderzoek uitgebreid tot een landelijke campagne. Naast de teken afkomstig van honden en katten worden nu ook de teken van paarden, herkauwers, wild, bijzondere dieren, en teken die verwijderd worden van mensen in het onderzoek betrokken.

Als de verwijderde teek wordt opgestuurd naar het UCTD kan bepaald worden om welke soort het gaat en of de teek besmet is met een ziekteverwekker. Wanneer tevens 2 buisjes bloed worden meegestuurd kan ook onderzocht worden of het paard geïnfecteerd is met een ziekteverwekker.

Huidaandoeningen

Mijten

Bij Friese paarden en andere rassen met veel behang komen mijtinfecties veel voor. De mijten bevinden zich vooral op de onderbenen. De mijten veroorzaken jeuk waardoor het paard vaak staat te stampen en zijn benen langs elkaar schuurt. Een mijtinfectie is goed te behandelen door de benen te wassen met een middel tegen schurftmijten.

Mok

Mok is een verzamelnaam voor huidproblemen in de kootholte.

Mok wordt veroorzaakt door bacteriën. Bacterien kunnen niet door een gezonde huid heen dringen. De huid is vaak beschadigd door modder, regen of kleine wondjes. Hierdoor krijgen bacterien de kans om binnen te dringen.

Symptomen van mok zijn opstaande haren, korstjes en exsudaat op de paardenbenen. Mok komt het meeste voor in de kootholte en rond de kroonrand, maar het kan ook hoger op het been voorkomen. Mok komt vaker voor op witte benen met een roze onderhuid en bij paarden met veel behang (friezen, shires etc).

De behandeling van mok moet vanaf het eerste begin goed worden aangepakt. In de eerste plaats is het belangrijk alle korstjes en exsudaat te verwijderen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van betadineshampoo. Daarna moet het been goed droog worden gemaakt. Vervolgens moet tweemaal daags een mokzalf worden aangebracht. Een goed werkzame mokzalf bevat antibiotica en ontstekingsremmers die de aangetaste huid tot rust brengen. Deze zalf is uitsluitend bij uw dierenarts verkrijgbaar.

Wanneer het been dik wordt of wanneer het paard kreupel gaat lopen is het verstandig het paard met antibiotica te behandelen.

Als de mok helemaal genezen is, is de nieuwe huid vaak erg dun en gevoelig. Een verzorgende zalf kan dan uitkomst bieden.

Het is natuurlijk beter om mok te voorkomen. Als het paard modderige benen heeft is het beter de modder te laten drogen en er dan af te borstelen dan om de benen helemaal nat te spuiten.

Schimmel

Een schimmelinfectie begint vaak met kleine bultjes met opstaande haren. Vervolgens ontstaan er ronde, kale plekken. Een schimmelinfectie is besmettelijk, zowel voor paarden als voor mensen! Zorg dus voor een goede hygiëne als uw paard een schimmelinfectie heeft. Nadat de diagnose is gesteld bestaan er twee behandelmethoden. Eén is wassen met Imaverol 4 á 5 maal om de 4 dagen. De tweede methode is enten met Insol Dermatophyton tweemaal met een interval van 14 dagen.

Dermatophilose

Deze huidaandoening wordt veroorzaakt door een bacterie die de huid binnendringt via kleine schaafwondjes. Het komt vaker voor bij paarden die buiten lopen in regenachtig weer.
De plekken komen meestal voor op de rug van het paard. Er ontstaan korstjes met aan de onderkant een puslaagje. Als de korstjes verwijderd worden ontstaat een roze kale plek. Dermatophilose is redelijk goed te behandelen met antibiotica, goede verzorging van de huid en rust.

Staart en maneneczeem

Een allergische reactie op insectenbeten in één van de belangrijkste oorzaken van jeuk bij het paard. Het culicoides-mugje speelt hier een belangrijke rol in, maar ook andere insecten kunnen jeuk veroorzaken. De jeuk wordt veroorzaakt door een overgevoeligheidsreactie op componenten van het speeksel van de insecten. Culicoides muggen zijn 1 tot 3 mm groot en veroorzaken een pijnlijke beet. Aangezien de larven zich, behalve in mest en rottende vegetatie, met name ontwikkelen in stilstaand water, komen deze muggen vooral voor in vochtige gebieden.

De muggen zijn het meest actief gedurende zonsopkomst en zonsondergang en alleen bij een voldoende hoge omgevingstemperatuur, hoge luchtvochtigheid en weinig wind. In Nederland komt insectenovergevoeligheid alleen in het voorjaar/zomer voor, maar in warmere landen kan de aandoening gedurende het hele jaar voorkomen.

De aandoening kan bij ieder ras, bij ieder geslacht en op iedere leeftijd voorkomen. Bij paarden jonger dan 2 jaar wordt het zelden gezien. Bij pony’s komt het vaker voor dan bij paarden. Hoe ouder het paard/pony wordt hoe heftiger de symptomen zullen worden. Naast omgevingsfactoren spelen ook erfelijkheidsfactoren een rol.

Symptomen: Het meest zien we laesies ten gevolge van schuren aan gezicht, oren, hals, schoft, schouders, kruis en staartbasis. Echter ook de onderkant van de buik kan zijn aangedaan. Insectenovergevoeligheid wordt gekenmerkt door hevige jeuk. Als gevolg van schuren ontstaan laesies met korsten en kaalheid tot gevolg. De aangedane huid is erg gevoelig. Door de zeer hevige jeuk zullen de Zomereczeempaarden zichzelf krabben, bijten, schuren tegen voorwerpen in de omgeving (hekken, palen, bomen etc.). De jeuk en de irritatie kunnen het temperament van het paard beïnvloeden, zodat de paarden angstig en nerveus zijn en minder gaan eten. Met name de afgeschuurde manen en staart van het paard vindt de eigenaar vaak een probleem.

Therapie: De belangrijkste benadering bij de behandeling van insectenovergevoeligheid is het voorkomen van blootstelling aan de insecten.

Gedurende de zwermtijden van de insecten, tijdens zonsopgang en zonsondergang, kunnen de paarden op stal worden gehouden. De stallen kunnen voorzien worden van fijnmazige horren die men kan inspuiten met een insecticide. De mazen moeten zeer fijn zijn, want de mugjes zijn erg klein. Een ventilator in de stal kan ook bijdragen aan het buiten houden van de mugjes. Ook gebruik van muggendekens is vaak een goede oplossing.

Insectenwerende middelen en insecticiden zoals pyrethrines kunnen gebruikt worden. Het met een laagje olie bedekken van de haren van manen en staart maakt het de mugjes moeilijk om de huid te bereiken. Dit is echter zeer bewerkelijk en rommelig en vaak niet succesvol.

Regelmatige wasbeurten met speciale shampoos verwijderen korsten en schilfers en verminderen ook de jeuk. Wanneer ernstige huidlaesies geïnfecteerd zijn, kunnen ze gewassen worden met een desinfecterende shampoo.

In geval van aanhoudende, hevige jeuk kunnen corticosteroïden door het voer worden gegeven of worden gespoten. Soms echter zijn hoge doseringen nodig en de behandeling werkt niet goed als die niet wordt gecombineerd met een goede insectenwering. Een behandeling met corticosteroïden verhoogt de kans op hoefbevangenheid.

Een andere, zeer succesvolle, behandelmethode is het dagelijks insprayen van de aangedane plekken met een corticosteroid-bevattende spray. Doordat de spray slechts lokaal wordt gebruikt (alleen op staart en manenkam) is de bijwerking van verhoogd risico op hoefbevangenheid te verwaarlozen.

Sommige eigenaren verklaren dat het voedingssupplement MSM (methylsulfonylmethane) de jeuk vermindert. Wetenschappelijk onderzoek is hiernaar nog niet uitgevoerd.

Wratten cq. Huidtumoren

Wratten zitten bijna altijd alleen aan het hoofd en dan voornamelijk om de mond en op de neus. Ze komen het meeste voor bij jonge paarden. Meestal verdwijnen ze na verloop van tijd vanzelf. Zitten de wratachtige bobbels elders op het lichaam dan zijn dit meestal zogenaamde sarcoïden, huidtumoren. Als het er maar 1 is kan deze operatief verwijderd worden met het risico dat hij toch weer op dezelfde plek terugkomt. Zijn het er meerdere dan kunnen injecties met zogenaamde cytostatica  worden gegeven in de tumoren.

Bij schimmels komen onder de staart en zelfs aan de darmen tumoren voor. Deze zogenaamde melanomen groeien redelijk agressief en zijn niet of nauwelijks te behandelen.

Urticaria

Urticaria zijn prominerende huidverdikkingen die ontstaan door oedeem in de onderhuid. Urticaria kunnen snel (soms binnen enkele minuten) ontstaan en ook weer snel (binnen enkele uren) verdwijnen. In het algemeen berust de aandoening op een allergische reactie. Het kan bijvoorbeeld een reactie zijn op brandnetels, bepaalde chemicaliën, geneesmiddelen of bepaalde voedermiddelen.

Urticaria ontstaan meestal op vele plaatsen tegelijk. Ze gaan meestal niet gepaard met jeuk.

Er moet geprobeerd worden de oorzaak van de urticaria op te sporen. Soms kan het toedienen van medicijnen het herstel versnellen.

Nodulaire necrobiosis

Bij deze aandoening ontstaan knobbels in de huid die niet pijnlijk zijn en geen jeuk veroorzaken. De oorzaak is onbekend. De knobbeltjes zitten met name op de rug, hals en flanken. Het is meestal niet nodig een therapie in te stellen. Soms verdwijnen de knobbels spontaan, maar zij kunnen ook snel weer terug komen

Pemphigus

Bij deze aandoening worden er antilichamen gevormd tegen de eigen huid-antigenen. Het is dus een auto-immuunziekte. Er ontstaan blaren, gevolgd door korstvorming, met name op het hoofd en de benen. De aandoening gaat vaak gepaard met oedeem, vermageren en algemeen ziek zijn. De prognose is dubieus. Vaak is een levenslange therapie nodig.

Droes

Droes is een zeer besmettelijk aandoening die wordt veroorzaakt door de Streptococcus equi equi bacterie. De aandoening komt het meeste voor bij paarden in de leeftijdsgroep van 1 – 5 jaar, maar ook oudere paarden kunnen de ziekte krijgen. Als een paard eenmaal droes heeft gehad is hij in 75% van de gevallen voor ten minste 4 jaar immuun voor de bacterie.

De bacterie wordt overgedragen door direct contact tussen paarden waarbij met name de  neusuitvloeiing en de pus uit de lymfeknopen zeer besmettelijk zijn. Ook gecontamineerde borstels, halsters, kleding etc kunnen de bacterie overdragen.

Paarden die de aandoening hebben door gemaakt blijven nog een aantal weken besmettelijk. S. equi infecteert alleen paardachtigen (paarden en ezels).

Wanneer een paard in contact is gekomen met de S. equi bacterie zal de bacterie zich in de lymfeknopen van de keel vestigen. Hier gaat de bacterie zich vermenigvuldigen. Het paard krijgt koorts, wordt suf en heeft een verminderde eetlust. Vervolgens krijgt het paard pussige neusuitvloeiing. De lymfeknopen in de keel gaan zwellen, binnen 7 – 10 dagen na de eerste symptomen zullen de abcessen in de lymfeknopen open barsten. Wanneer de abcessen zo groot zijn dat ze normaal ademhalen beperken dan moet ze worden opengemaakt. In alle andere gevallen is het beter af te wachten totdat de abcessen rijp zijn en vanzelf open gaan. Om dit proces te bevorderen kunnen de abcessen worden ingesmeerd met trekzalf. De meeste paarden zijn gemiddeld 4 weken ziek.

Paarden die droes hebben mogen niet met antibiotica behandeld worden. Dit remt namelijk de rijping van de abcessen waardoor het nog langer duurt voordat het paard weer beter is. Paarden die in contact zijn geweest met de droesbacterie en alleen koorts hebben en nog geen zwelling van de lymfeknopen kunnen wel met antibiotica behandeld worden. Paarden met droes dienen geïsoleerd te worden om de te voorkomen dat andere paarden ook besmet worden.

Heeft uw paard een onbekende huidaandoening?

 

Met behulp van een biopt kan er vrijwel altijd een diagnose worden gesteld! Neem hiervoor contact op met Dierenarts Den Bommel:

Paard en Pony Acupunctuur

 

1e consult acupunctuur 1 tot 1 1/2 uur                               €35 (+ reiskosten)

Vervolgbehandeling, 45 min. tot 1 uur                                €25 (+ reiskosten)

Alleen dry needling                                                             €25 (+ reiskosten)

Zie uitleg over Acupunctuur over Acupunctuur